in

Waarom je niet altijd een full-frame camera hoeft te kiezen


22 juli 2020, 07:02

De term fullframe is omgeven met een behoorlijke portie magie. Als je sommige mensen zou moeten geloven is het onmogelijk om een goede foto te maken met een camera die voorzien is van een ander sensorformaat. Nu is het natuurlijk niet zo zwart-wit en ligt het – zoals met alles in het leven – allemaal een stuk genuanceerder.

Voor wie in het duister tast rondom de term fullframe: de term slaat op het formaat van de beeldsensor. Een beeldsensor – het hart van je camera – kan verschillen in fysiek formaat. Zo zijn er camera’s met verschillende sensor-formaten, van klein tot groot. Fullframe is verwarrend genoeg niet eens het grootste sensorformaat, maar eerder de ‘standaard’ in relatie tot wat vroeger in de tijd van de 35mm film gebruikt werd. Veelvoorkomende andere (kleinere) formaten zijn APS-C en Micro-Four-Thirds. Groter kan ook: dan spreken we doorgaans over het middenformaat.

Laten we beginnen met de voordelen van een fullframe camera, want die zijn er natuurlijk wel degelijk. Simpel gezegd: een grote sensor heeft voordelen op het gebied van de beeldkwaliteit. Toch is het verschil tussen al deze sensorformaten niet levensgroot, of tenminste niet zo groot als door sommigen gedacht. Er zijn andere zaken en argumenten die ervoor zorgen dat je met een kleiner sensorformaat ook uitstekende beelden kunt maken. De laatste jaren gaan de ontwikkelingen op sensorgebied ontzettend hard en met een gemiddelde APS-C-camera maak je tegenwoordig beelden met een kwaliteit waar een professional tien jaar geleden niet van durfde te dromen. Resolutie, scherpte, contrast, ruisprestaties en dynamisch bereik zijn anno 2020 allemaal op hoog niveau.

Soms ben je zelfs in het voordeel met een kleinere sensor. Laten we dat eens uitleggen. Als je werkt met een kleinere sensor krijg je te maken met de cropfactor. Dat betekent dat je objectieven zich anders gedragen qua brandpuntsafstand. Gebruik je een objectief dat ontwikkeld is voor fullframe op een ‘cropcamera’ met APS-C-sensor, dan zul je zien dat je de brandpuntsafstand moet vermenigvuldigen met 1,5 of 1,6 (Canon). Een 50mm wordt dus automatisch een 75mm. Onhandig als je in een krappe ruimte aan het werk gaat, maar juist handig als je meer afstand tot je onderwerp nodig hebt. Zeker in tele-regionen is dat een behoorlijk voordeel. Ga maar na: een 400mm wordt opeens een 600mm. Ook voor de kwaliteit van de voor kleiner formaat gemaakte objectieven hoef je het niet te laten: er zijn talloze fabrikanten die ook voor camera’s met een kleinere sensor uitstekende objectieven maken.

Daarnaast is het zo dat objectieven kleiner en compacter zijn als ze gemaakt zijn voor een systeem met een kleinere sensor. Zo zijn de verschillende objectieven van het Micro-Four-Thirds-systeem een heel stuk kleiner en lichter dan vergelijkbare objectieven voor een fullframe model. Dat scheelt enorm en die eigenschap kan een doorslaggevende eigenschap zijn als je op zoek bent naar een nieuw camerasysteem.

Een fullframe-camera heeft dus zeker voordelen, maar is niet zaligmakend. Kortom: het is zeker niet zo dat een fullframe model voor iedere fotograaf de beste keuze is. Welke camera je het beste kunt gebruiken is dus altijd een persoonlijke keuze op basis van je eigen wensen en doelen.

Selectieve scherpte: handmatig scherpstellen bij actie

Bokeh in de praktijk: zo krijg je het op de foto